Opleiding voor molenaar
Waarom?

Molenaar worden doe je niet zomaar. Je moet er veel praktijkervaring voor opdoen, veel leren, zoals meteorologie, de werking van de verschillende soorten molens kennenen hun inrichting. Het gaande en staande werk moet je kunnen beschrijven.
Voor de praktijk ga je één keer per week naar een lesmolen. Daar leer je zeilen voorleggen, kruien, de vang bedienen, zwichten, smeren en verricht je klein onderhoud. Er wordt tijdens deze praktijklessen ook altijd over het weer gesproken. Het weer voor het komende uur moet je zeker kunnen voorspellen.
Meestal les je bij een instructeur en neem je daarbuiten ook nog gastlessen op andere molens. Dan zijn er de theorielessen die meestal ergens in een molen worden gegeven. Na verloop van tijd doet de leerling proefexamen en wordt zijn/haar kennis getest.
Als dit examen goed is afgelegd, volgt het eigenlijke examen. Als je bent geslaagd ben je vrijwillig molenaar en krijg je een molen toegewezen waarop je zoveel kunt malen als je wilt. Als dit een specifieke molen is, zoals een zaagmolen of een olie- of papiermolen, dan ga je weer in opleiding.

 


Molenaar worden doe je omdat je iets met molens hebt. Het zijn zeer oude werktuigen, ware krachtpatsers.

De sfeer op de molen bij het lessen is altijd goed. Je bent welkom, praat met elkaar over het weer. Er is altijd koffie met iets lekkers erbij. De molen inspannen doe je met elkaar en je overlegt met elkaar over de zeilvoering en of de molen al dan niet in het werk wordt gesteld voor die dag. Met weinig wind gebeurt dat meestal niet.
Meestal is er ook wel wat te klussen op de molen.
De beste herinneringen heb ik aan de dagen dat er allerlei boeken op tafel lagen en er heftig werd gediscussieerd over een bepaalde vraag. Niet iedereen blijkt hetzelfde antwoord daarop te hebben.

Het is een lange weg, maar wel een leuke weg. En het wordt steeds leuker.